’t Smiske

’t Smiske is een 18e eeuws wevershuisje, dat oorspronkelijk bestond uit twee woningen. Het is het oudste woonhuisje van Goirle, stond reeds op de kadastrale kaart van 1832 en valt onder monumentenzorg. Het is momenteel ingericht als een wevershuisje van rond 1900. In 1961 werd het door de heemkunde kring aangekocht voor een bedrag van ƒ2800,- . Het was eigendom geweest van de gezusters Stads, die het hadden verhuurd aan de buren van de Sparwinkel, Leonard Brock en Catharina (To) Zoontjes. Tijdens de verbouwing van de Spar halverwege de jaren ’50 diende ’t Smiske als tijdelijke winkel.

’t Smiske rond 1980

Na aankoop van ’t Smiske werd het door heemleden zelf opgeknapt waarna het op 21 juli 1962 door burgemeester Elsen kon worden geopend. In de muur naast de voordeur is bij die gelegenheid een tegeltableau aangebracht met het logo van de heemkundige kring, ontworpen door Willy van Rooij.
’t Smiske is een huisje waarin allerlei wederwaardigheden uit de Goirlese historie samenkomen. Er is veel over te vertellen. Dat is precies wat Pierre van Beek deed eind jaren ’60 in een van zijn talloze heemkundige artikelen voor het Nieuwsblad van het Zuiden. Het werd een lofzang op een onooglijk huisje, die we hieronder, ook als eerbetoon aan de verhaalkunst van Van Beek, nog eens willen laten klinken.

Wevershuisje in Goirle bewaard voor de toekomst

door Pierre van Beek

Bewoners

Zo was Drik

Slaande meesters

Zoutsmokkel

Ruimtegebrek

Griekse Muze

Bij de wever

Geleend getouw

Bescheiden weggedoken onder zijn dik strooien dak, met zijn deur aan een zijkant, mediteert aan de Nieuwe Rielseweg te Goirle een klein huisje als een oud vrouwke, dat de dood vergeten heeft en dat daarom niets beters weet te doen dan met een mummelmondje rozenhoedjes te prevelen. Zo lijkt het tenminste! Eens lagen er genoeg wevershuisjes door Goirle gezaaid, maar in de loop der jaren hebben ze alle het veld moeten ruimen voor meer moderne bebouwing.

Ook dit huisje zou wellicht dezelfde weg zijn opgegaan, indien de Goirlese Heemkundekring met zijn mooie naam “De vyer Heertganghen” er zich – door aankoop – niet tijdig over ontfermd en het ingericht had tot wat men bescheiden”ons Heemhuisje” noemt, maar wat nu onder de naam “’t Smiske” tot de Goirlese geschiedenis behoort. Dat hier een vooruitziende blik de heemkundemensen heeft geleid, blijkt uit het feit, dat “’t Smiske” dit jaar

officieel tot monument werd verklaard, waardoor de betekenis voortaan over Goirle heen grijpt. Nu is dat “Smiske” weer zijn winterslaap ingegaan. In de zomer-maanden is het echter als streekmuseumpje iedere zondag enkele uren gratis toegankelijk en trekt het – tot buiten Goirle – regelmatige bezoekers. Reden genoeg er nu eens het een en ander over te vertellen.
Bewoners
Tot degenen, die ooit in “’t Smiske” hebben gewoond, behoorden: Drik van den Hout, Sus van Iersel, Kees van Gils en diens zoon A. van Gils, Drik van Gestel, A. Schellekens, Kees van de Laar en Jaans van de Laar, die broer en zuster waren, J. Sprengers-van Herk, Jan Sprengers, Jantje Snels en de gebroeders Jan en Gustje Huibrechts. Deze lijst pretendeert geen volledigheid. Jan Huibrechts is de laatste Goirlese huiswever geweest. Bij het begin van de oorlog is hij er mee opgehouden. Jan weefde en zijn broer Gustje ging “met het pak” den boer op om zijn negotie aan de man te brengen.

Jan Huijbregts achter het weefgetouw

De meest interessante bewoner van “’t Smiske” is ongetwijfeld geweest de vrijgezel Drik van Gestel, een naam die zó niet veel zegt. Er zal echter bij menige oude Goirlenaar – en ook nog wel jongere – een lichtje gaan branden als we zeggen, dat deze Drik eigenlijk nooit anders werd genoemd dan: “Drik Babberdebennekes”. Hoe hij aan die naam kwam? Voor velen een vraag, voor niemand een weet!
Zo was DrikDrik Babberdebennekes was al tijdens zijn leven een legendarische figuur. Hij dankte dit wel mede aan zijn uiterlijke verschijning. In een veertig jaar oude beschrijving van de man lezen we o.a.: “Op een paar korte beentjes torste-n-ie een gezellig kogelbuikske, waarover een lakense broek-mee-presenteerblad spande, die zo groen zag alsof er mos op groeide. Zo maar zonder nek zat een radijsachtig kopke op zijn romp geplakt met twee spleten erin, waardoor varkensoogskes langs een dikke neus piepten. Aan de voorkant hing op zijn frontje een labbige onderkin te kwabberen. Enfin, het was een manneke zoals ge kunt maken van lucifers mee ‘nen grote en ‘nen kleine aardappel…” Zou misschien deze verschijningsvorm tot de originele bijnaam geïnspireerd hebben??? Als Drik zó al een bijzondere aantrekkingskracht voor de jeugd had, hij bezat die in nog hogere mate door de manier, waarop hij met die jeugd omsprong. De jongens van de fraterschool hadden voor hem een vast program van vragen, die Drik iedere keer opnieuw beantwoordde: “Drik, waarom hedde gij zo’n klein ogen?” “Omdè ik gin soep zè”, orakelde hij dan. Maar omdat de kinderen daar niets van snapten – zich althans zo hielden – verklaarde hij: “Hoe vetter ik wor, hoe kleiner mijn ogen. Mee soep is het net andersom”…
Slaande meesters “Drik, sloegen de misters vruger ook?” Daarop vertelde Drik in geuren en kleuren en met veel fantasie de melodramatische geschiedenis van zijn jeugd bij meester Kandelaars. Daarna kwam voor de jeugd het hoogtepunt: “Die misters sloegen oe mee ‘nen stok van ‘nen èrrem lang en ‘nen vinger dik.” Deze woorden gingen vergezeld van een verkeerd geïllustreerde beweging, waarbij Drik, om de dikte van de stok aan te geven, over zijn strak uitgestoken arm streek en om de lengte te stellen zijn dikke wijsvinger omvatte. Dat gold voor de jeugd als het afgesproken teken. In koor herhaalde zij op lijzige toon en onder het trekken van scheve snuiten: “Van ‘nen èrrem dik en ‘nen vinger lang”, waarbij de verkeerde bewegingen werden nagebootst. Dan zag Drik zijn “vergissing” in en deed hij het nog eens over. Maar nu goed.Hij zat vol grappen en was zo vriend en clown van de jeugd geworden. Maar van de appels in zijn hof moest ge afblijven. Dan schoot hij met grof zout in zijn jachtgeweer. Zo althans ging de mare.
ZoutsmokkelEen gedeeltelijk in de grond gebouwd “schop”, dat vroeger achter “’t Smiske” stond, heeft nog een rol gespeeld in de zeer florerende zoutsmokkel rond de eeuwwisseling. Nederland had een accijns op zout ingevoerd maar België kende
die niet. Het prijsverschil tussen beide landen was daardoor de moeite waard. De smokkelaars hadden hun pad door de tuin van “’t Smiske”. In het schuurtje legden zij hun pungels (vrachtjes) neer om de weg verder te gaan verkennen. Overigens was dat gesmokkel niet zo’n geheime zaak. ’s Avonds kon men tegen donker de smokkelaars op pad zien
gaan met een opgerold stuk was- of zeildoek als pakjes open en bloot onder de arm. Die doek diende om het zout tegen regen en vocht te beschermen.Het huidige “Smiske” verkeert niet geheel in zijn oorspronkelijk staat. O.a. werden er twee bedsteden met aardappelkelders eronder, de goot en een fornuisje uitgebroken toen het als museum werd ingericht. Museum is het eigenlijk maar toevallig geworden. De aankoop geschiedde met de bedoeling het laatste prototype van een thuiswevershuisje te conserveren en het als zodanig in te richten.
RuimtegebrekDie gedachte hebben “De vyer Heertganghen” overigens nog niet losgelaten. Alvorens die verwezenlijkt kan worden, zal men echter de beschikking dienen te hebben over een andere expositieruimte. Het museum schreeuwt daarom. Er is zoveel in beperkte ruimte tentoongesteld, dat de zaken niet zo goed tot hun recht komen als ze verdienen. Het interieur met zijn zware, ruwbewerkte, donkere zolderbalken en planken, die de geur van het verleden ademen en met zijn vloer van rode plavuizen, waarvan niet ene in kleur gelijk is aan de andere, is thans in twee ruimten verdeeld. Beide ruimten bezitten een open schouw, waarvan die van de voorkamer een met open haardvuur en wat daar aan attributen zoal bijhoort. Door de zwartberoete schoorsteen kijkt ge naar de blote hemel. Wie over een beetje fantasie beschikt, ziet er ook de ham of het spek hangen al zal die bij een arme wever wel nooit zo heel groot geweest zijn.[…]
Griekse muze Hier een voorloper van de jukebox aan te treffen had ge zeker niet verwacht. Het is een heel apparaat, dat de klassieke naam Kalliope op zijn body draagt. Kalliope was de Griekse muze van het epos. “Die met de schone stem”, werd van haar gezegd. Hoewel het apparaat uit het einde van de vorige eeuw stamt, heeft het zijn “schone stem” nog niet verloren. Het tingelt aardige deuntjes via een vertikaal draaiende zinken plaat-met-gaatjes van bijna een halve meter doorsnee. Een vergrote editie van de platen van het kleine draaiorgeltje van de oude straatmuzikant. “Nog tientallen van zulke platen liggen er hier op zolder”, aldus onze gids. Het apparaat heeft kennelijk in een café gestaan. Men kwam daar goedkoop aan een deuntje, want op een gleuf aan de zijkant valt te lezen: “Inwerping 1 cent”. En dat doet wel wat Vlaams aan.Een attractie van geheel andere aard vormt een nogal uitgebreide en betrekkelijk recente serie van bodemmonsters uit een boring in de nabijheid van het Goirles territoir. Die boring ging 147 meter diep. Van de eerste meters tot de laatste kan men hier duidelijk zien, welke grondlagen er op elkander liggen. Spectaculair is het niet. Wél interessant voor de weetgierige, die belangstelling heeft voor de geheimen van de grond, waarop hij staat.
Bij de wever In de tweede afdeling van het “Heemhuisje” domineert het getouw van de huiswever met wat daar nog bij komt kijken. Ook andere beroepen tonen er hun spoor. De zeer complete klompenmakersuitrusting is daarbij heel opmerkelijk.
Vanwege de veelheid van het geëxposeerde materiaal geeft deze weefruimte niet de kaalheid van het oude weefgetouw weer. Maar het wijwatervaatje is er wel. Ook het befaamde “oog-van-God-in-een-driehoek”, waarmee Ernest Claes zijn “Witte” grappen liet maken. Het Goolse oog straalt er echter in een luxe uitvoering, namelijk in gekleurd zilverpapier. Resultaat van vrome huisvlijt. De rozenkrans aan de spijker kunt ge ook ontdekken. Het is evenwel een nogal ongewone, waaraan we zelf nooit gebeden hebben. Het heilige, bijbelse getal zeven krijgt er alle eer. Hij bestaat

Jan Meeuwesen achter het weefgetouw 1960

namelijk uit zeven “tientjes” van elk zeven kralen. Daartussen de Zeven smarten van Maria en ten slotte een kruisje van weer zeven kralen. Het zal velen bekend zijn, dat in een wevershuisje de rozenkrans op het kale, witgekalkte muurvlak een centrale plaats innam, want bidden deden die wevers in hun armoe wel. We hebben maar één “groffe” wever gekend. Dat was degene die – toen de pastoor zijn tevredenheid uitsprak over de aanwezigheid van de rozenkrans aan de muur – antwoordde: “Mijnheer pastoor, het zou oe aanders niet meevallen een heel jaor mee oew neus aon ‘nen spijker te hangen”… Het zullen wel boze tongen zijn geweest, die dit verzonnen hebben! Hoe ze hun armoe uitsnikten, leert het oude weversdeuntje:

“Gin brood, gin mik!

Ochod, ochod, ochod…

Kaoi wijf – hoop kender!

Ochod, ochod, ochod”…

De tweede en de vierde regel vormen een klanknabootsing van het schieten van de spoel.

Geleend getouwWaar men zich over verbaast, is dat Goirle er niet in geslaagd is een eigen weefgetouw te bemachtigen. Het laatste Goolse getouw werd in het begin van de oorlog verkocht aan het museum Sterksel bij Antwerpen. Men moet het nu doen met een Tilburgs raamgetouw, dat men in bruikleen heeft van het Tilburgse Textielmuseum. Die Goolse getouwen waren anders dan de Tilburgse, omdat men in Goirle geen wol maar grof linnen weefde. Daarvoor gebruikte men zwaardere getouwen, waarvan de zijstukken uit massief eikenhout bestonden. “Die stukken wogen wel honderd kilo.” Bij het opruimen of de vervanging waren ze zeer gewild door de timmerlui. Dezen zaagden ze namelijk stuk voor deur- en raamdorpels. Geen wonder derhalve, dat ze allemaal verdwenen zijn. Men vertelde ons verder, dat deze Goolse getouwen ook breder dan de Tilburgse waren. Dat kwam goed uit toen in Goirle van het linnen op jute voor behangsellinnen werd overgeschakeld.Rondkijkend en snuffelend door “’t Smiske” op een trieste herfstdag toen de regen tegen de kleine ruitjes tokkelde en luisterend naar de verhalen van onze begeleider, werden de dingen, die we lang dood waanden, langzamerhand tot leven gewekt. Ze brachten warmte in het oude huisje. De “lambels” (lampe belge) met haar moderne gloeilamp onder de wit porseleinen kap leek weer haar energie uit petroleum te putten en het was of er opnieuw vlammen speelden om de halfverkoolde houtblokken van de haard. Daardoor viel het afscheid zwaarder dan de komst…Eén gedachte heeft ons nog enige tijd beziggehouden: Hoe houden die mannen van de Heemkunde het vol? “’t Smiske” kwam tot stand uit idealisme en liefde tot eigen streek. Het wordt ook uit die gronden draaiende gehouden. Dit betekent, dat nu reeds vijf jaar lang, op toerbeurt, één van de leden van de Heemkundekring van mei tot september zijn zondagmiddag van 3 tot 5 uur opoffert om bezoekers te ontvangen en rond te geleiden. En dit terwijl er niet eens entree geheven wordt. Voor bijzonder geïnteresseerden is het museumpje altijd op aanvraag te bezichtigen. De bekende uitspraak van Vondel: “De liefde tot zijn land is ieder aangeboren” krijgt hier doorlopend gestalte.PIERRE VAN BEEKBronnen:

Het Nieuwsblad van het Zuiden, maandag 21 oktober 1968, electronisch te raadplegen op: http://www.cubra.nl/tilburgsdialect/pierrevanbeek/heemkunde52smiske.htm (© 2004-2006 erven Van Beek & Stichting CuBra).”Opening van ’t Smiske–Heemhuis en Oudheidkundige kamer” in: Goirles Belang 1962 (no. 11, eind juli).

Terug naar boven