Schatten uit ons museum

Laatst gepubliceerde articel in Goirles belang

Schatten uit ons museum – 59 – kerkboekje

Hoe komen zaken, die eens in Goirle lagen, weer terug in ons dorp. Lees daarvoor dit korte verslag.

Op 20 maart 1818 werd in Goirle Cornelia Schoofs geboren als dochter van kleermaker Pieter Schoofs en Cornelia de Hoog. Vader Pieter overlijdt in Goirle op 26 januari 1829 en moeder Cornelia op 11 februari 1836. Kort hierna verhuisden de kinderen waarschijnlijk naar Eindhoven of Son waar Cornelia’s broer Frans trouwde en ging wonen.

Op 12 jarige leeftijd werd Cornelia op 15 april 1830 door pastoor Jacobus de Vocht ingeschreven in de registers van de “Broederschap van de Gedurige Aanbidding van Christus Jesus in het Allerheiligste Sacrament des Autaars”. In 1835 kreeg zij van de pastoor een boek uitgereikt met de welluidende titel “Onderwijzingen der jeugd” voor het goed kunnen opzeggen van de catechismus. Dit boek bewaarde ze goed, en ze nam het mee naar haar nieuwe woonplaats. Onmogelijk te zeggen of ze er erg zuinig mee is geweest, maar gezien de toestand waarin het boek nu verkeert, mogen we aannemen van wel.

 

(Klik op de afbeelding voor een vergroting)

Later trouwde ze in Son met de schoenmaker Willem van Leeuwen, een zoon van Paulus van Leeuwen en Aldegonda Tijssens.

Na hun huwelijk woonden ze in Eindhoven en kregen daar hun zoon Paulus die op 13 augustus 1844 geboren werd. Al in 1846 overleed Willem in Eindhoven en op 20 september van 1847 jaar overleed ook Cornelia in Eindhoven. Waar zoontje Paulus daarna verbleef is niet geheel duidelijk geworden maar hij was blijkbaar een slim kereltje dat goed begeleid werd want hij werd opgeleid tot onderwijzer en werd later benoemd tot hoofd van een school in Rijkevoort.

Waar hij zijn vrouw heeft leren kennen is niet bekend maar in 1885 trouwde hij in Zeist met  Arnolda Pel. Ze gingen samen naar Rijkevoort en kregen daar hun eerste kind in 1888 dat de namen Wilhelmus Everardus Petrus kreeg, een duidelijke vernoeming naar de wederzijdse ouders.

Deze Willem van Leeuwen ging later naar het seminarie van Haaren en studeerde daar voor priester. In 1913 werd hij gewijd en ging als kapelaan aan de slag in Gemonde. Later was hij kapelaan in Liessel en Bladel en werd dan in 1932 tot pastoor benoemd in Macharen, later nog in Knegsel en Asten. Hij zou in 1962 in Utrecht overlijden.

Dan ontstaat een gat in de overlevering. Hoe is niet geheel voor 100% te achterhalen maar het boekje komt via deze Willem van Leeuwen in het bezit van een van zijn parochianen, t.w. Bert Ruijs. Deze gaf het na zijn overlijden door aan zijn zoon Henk. Bert heeft nog voor priester gestudeerd maar heeft deze opleiding nooit afgemaakt: hij bleek de echte roeping niet te hebben.

Henk merkte in het boekje de naam van Cornelia Schoofs op, die er in gezet was door pastoor Jacobus de Vocht uit Goirle. Dit maakte hij bekend op de site van het BHIC (het vroegere Rijksarchief) in Den Bosch waar ik het opmerkte. Na een kort email contact bracht Henk het boekje naar ons museum omdat hij vond dat het op zo’n plek goed thuis was. Uiteindelijk is het boekje in 2015 in de plaats terecht gekomen waar het zijn reis 180 jaar geleden door Brabant in 1835 begon: in Goirle, waar het nu in la D2 in ons museum ligt.

Op elke eerste en derde zondagmiddag van de maand kunt u langs en binnen komen m e.e.a. te bekijken. Tot ziens in ons (en eigenlijk ook uw) museum namens de mensen van het heem: Gerrit van Heeswijk.

Contact via [email protected].

 

Schatten uit ons museum – 58 – Mutsen en poffers

In ons museum bewaren we verschillende kledingstukken uit vroeger tijden. De meest opvallende zijn de Brabantse Poffers, vrouwen mutsen uit betovergrootmoeders tijd. We hebben er enkele van Goirlese families gekregen, t.w. twee Meierse poffers en een poffer uit de Baronie.


In de Brabantse Meierij en in Oost-Brabant droegen de vrouwen van de gegoede middenstand alsook de boerinnen, die het zich konden permitteren, een poffer. De rest van de vrouwen droegen een goedkopere witte zondagse muts. Die zondagse muts kende geen versiering van bloempjes; ze was versierd met plooien, dicht op elkaar staande smalband lusjes, twee staartjes en een strik. De witte muts was vervaardigd van graslinnen of in een duurdere uitvoering van neteldoek. Elk gewest had zijn eigen typerende mutsen en poffers. Zo had de Meiersepoffer als versiering bloemetjes, terwijl die van de Baronie met dicht op elkaar staande sterretjes was uitgedost.


Die poffer werd gedragen boven het voorhoofd op een kanten muts, waarvan de geplooide voorkant voor de poffer uitkwam. Met zijden linten werd zowel de muts als de poffer onder de kin vast gestrikt. Ter bescherming van de kanten muts tegen het haarvet droeg men een zwart ondermutsje, dat eveneens met zwarte linten onder de kin werd vastgezet.

In de loop der jaren groeide de poffer naargelang de welstand van de draagster en de fantasie van de mutsenmaakster uit tot een gevaarte van formaat, dat eigenlijk meer last dan plezier

bezorgde aan de draagster, vooral bij winderig en regenachtig weer.

De kosten van de poffer

Een rijk versierde poffer kostte om en de nabij ƒ100,-; een kapitaal waar de boer minstens een half jaar voor moest werken. Er zaten 40 uren werk in het maken van zo’n poffer, doch die werkuren maakten het niet duur. Het waren de materialen, die de hoge kosten veroorzaakten, want die moesten praktisch allemaal worden geïmporteerd.

Graag tot een volgende keer namens de mensen van het Heem: Gerrit van Heeswijk. Contact via [email protected].

Schatten uit ons museum – 57 – Depotzaken

Iedereen die weleens ons museum is binnengegaan heeft diverse voorwerpen uit het Goirlese verleden gezien. Heeft hij of zij dan alles gezien? Nee. Veel van hetgeen er in de afgelopen 50 jaar verzameld is wordt niet tentoongesteld. De mooiste stukken staan in het museum of in het Smiske of in de schuur opgesteld, maar dat is dus niet alles. We hebben van veel zaken veel en van andere zaken erg weinig. Als u de foto goed bekijkt ziet u een van de depotkasten in het museum waarin zaken opgesteld staan die of dubbel zijn of niet binnen het tentoongestelde passen. De naaimachine die u ziet past gewoon niet in het museum of we zouden zoveel moeten laten zien dat de zaken niet meer opvallen. Je kunt beter iets goed laten zien dan veel op mindere wijze laten zien.


Zo hebben we depotkasten in ons museum, een zolder boven het museum en een zolder boven het pleejhuis die allemaal nogal vol staan met allerlei voorwerpen. In de kasten in het museum bewaren we bijvoorbeeld extra kledingstukken en mutsen (poffers) extra voorwerpen die met de oorlog te maken hebben, veel devotionalia (wijwatersvaatjes, kruisbeelden, medailles, schilderijtjes), diverse voorwerpen die ooit in het dorp gebruikt zijn. Boven op zolder staat een heel leger aan heiligenbeelden, oude elektrische voorwerpen, kledingstukken die ooit gebruikt zijn bij toneel of door kinderen die “misje” speelden, incomplete oude kerststallen en diverse onderwijszaken (bijv. vele wandplaten). Boven het pleejhuis liggen werktuigen van klompenmaker en huis- tuin- en keukenspullen en archeologische voorwerpen. En tenslotte liggen op het schoor in de schuur de dubbelen van de boerengereedschappen. Eén riek tentoonstellen is voldoende dachten wij dus wat moet je met de vijfde riek die aangeboden wordt. Denkt u maar enkele maanden terug toen we hier over de wasborden vertelden en waarvan de eerste drie reageerders er een konden krijgen. (Niemand reageerde, maar heeft dan niemand het gelezen?).

We moeten dus goed nadenken voordat we iets aan de collectie toevoegen en dus niet het drieëndertigste kruisbeeld accepteren. We hopen dat u dat begrijpt. Nieuwe voorwerpen die zeer goed in de collectie passen nemen we graag aan, dus als u met iets zit dan horen of lezen we dat graag.

Wie weet tot een volgende keer namens de mensen van het Heem: Gerrit van Heeswijk. Contact via [email protected]. O ja, we zijn open op de eerste en derde zondag van de maand dus tot ziens op 21 mei of 4 juni.

Schatten uit ons museum – 56 – Fietslantaarns

Nu de dagen flink aan het lengen zijn en de zon ons steeds langer verlicht, valt weer op dat een fietsverlichting altijd nodig blijft. Alle automobilisten hebben soms de neiging om fietsers zonder licht te vervloeken, als men weer zo’n donkere schaduw tegemoetkomt of voorbij rijdt. Ook vroeger was dat het geval. De huidige verlichting is stukken makkelijker dan die van het begin van de 20e eeuw waarvan er hier twee op de foto te bewonderen zijn.

Het waren vaak petroleum of carbid lantaarns, soms zelfs lantaarns met een kaars er in. De petroleumlantaarn had onderaan een reservoirtje, een brander en een kap. De gele licht van de petroleumvlam werd door de holle spiegelreflector via een platbolle lens naar voren gestuurd zodat een tegenligger kon zien dat er iemand aan kwam.

De carbidlantaarn had een waterreservoir, een carbidpot, een gaspit en een kap. Vanuit het reservoir drupte het water op het carbid in de pot. Deze drup was te regelen met een kraantje zodat de lamp zwak of fel kon branden.

Door de drup op het carbid ontstond er in de pot koolwater- of acetyleengas dat naar de pit geleid werd en daar na ontstoken te zijn verbrandde.

Die verbranding veroorzaakte een heldere intensieve vlam waarvan het licht door een holle spiegelreflector werd gebundeld, om vervolgens door de platbolle lens weer verbreed te worden.

De hierop volgende elektrische lampjes met draadjes via de spatborden kennen we allemaal nog wel en we zijn blij met de huidige moderne verlichting (mits deze brandt!).

Ligt er bij u thuis in de schuur of op zolder ook nog een voorwerp van lang vervlogen tijden en is het nog compleet en heel dan zouden wij het misschien best graag in onze collectie opnemen. Zo zouden we graag een werkende ‘knijpkat’ uit de Tweede Wereldoorlog (u kent dat door knijpende handbewegingen werkende zaklantaarntje misschien nog wel) aan ons arsenaal willen toevoegen.

Graag tot een volgende keer namens de mensen van het Heem: Gerrit van Heeswijk. Contact via [email protected].

Schatten uit ons museum – 55 – Urnen

Als we de archeologische wandkaart van Nederland bekijken zien we daar altijd Goirle op staan. Dit hebben we te danken aan de prehistorische grafvondsten die hier gedaan zijn. Als vele jaren kende men de “Vijfberg”, een serie heuvels die ook op de historische plattegrond van Nicolaas Zijnen uit 1760 te zien zijn en op de Rechte Hei liggen. Dit bleken grafheuvels te zijn. In de jaren dertig van de vorige eeuw werden deze door Professor van Giffen onderzocht. Hij gebruikte daarvoor de kwadrantmethode: een vierde deel werd uitgegraven en een hoogteprofiel liet men staan zodat steeds te zien was hoe hoog de heuvel was geweest. Dit was van belang bij het terug opbouwen van de heuvels. Bij een bezoek aan het museum is dit beter te begrijpen dan vanuit dit stukje, dus kom gerust langs.

Nadat de professor de heuvels uitgegraven had, nam hij de gevonden urnen mee naar de universiteit van Leiden waar deze nog steeds in het depot bewaard worden. Enkele urnen bleven in Goirle (mogelijk door bemoeienis van het toenmalige gemeentebestuur) en worden nu bij ons bewaard. Om het dorp toch geheel tevreden te houden werden van diverse urnen gipsen afgietsels gemaakt. Als we nu de urnen naast elkaar houden kunnen we aan de onderkant zien of we met een origineel exemplaar of met een afgietsel te maken hebben. Maar er was meer in deze omgeving te vinden: in de jaren 1924-1925 werden in de villawijk van het Klotven en Urnenveld opgravingen verricht door Professor Remouchamps die ook diverse vondsten aan het licht bracht en tevens een speciale vondst deed die heden ten dage in de boeken bekend staat als de “Lange Bedden”, een serie grondsporen die duiden op begravingen. Tenslotte werden ook op enkele andere plekken in het dorp voorwerpen opgegraven die een historische achtergrond hebben zoals de hierbij afgebeelde urn die volgens de overlevering gevonden werd in ‘de zandlicht bij de burgemeester’ in 1937. Toen was Henri van Ginniken burgemeester en naast zijn woning werd blijkbaar wit zand opgegraven voor bouwdoeleinden en kwam deze urn tevoorschijn.

Vlak voor het bouwrijp maken van de wijk Boschkens-Oost werd ook nog een grondonderzoek gedaan waarbij overblijfselen uit de Merovingische tijd tevoorschijn kwamen, de tijd voor Karel de Grote. Al deze opgravingen hebben er toe geleid dat we nu zeker weten dat hier vanaf 1500 jaar voor Christus tot heden praktisch steeds bewoning is geweest. Voorwaar een fantastische plaats om in te wonen.

In deze plaats gaat op de eerste zondag van april het museum weer open en dat zal steeds de eerste en derde zondag van de maand zo zijn. Dan kunt U zien wat er met de “kwadrantmethode” bedoeld wordt en kunt U zien hoe een afgietsel en hoe een originele urn er uit ziet. Wel nog even geduld met ons Smiske, want het wevershuisje gaat zeer binnenkort een nieuw dak krijgen en daarna opnieuw ingericht worden.

Graag tot ziens in ons dorpsmuseum en bedankt voor het meedenken wat diverse mensen steeds doen. Contact graag via [email protected] en vanaf hier bedankt voor het lezen: Gerrit van Heeswijk.

Schatten uit ons museum 54 – Giften

Het komt niet elke week voor maar toch diverse keren per maand: iemand stapt het heemerf op met in zijn/haar hand enkele zaken die niet verloren mogen gaan. In de afgelopen maanden waren dat bijvoorbeeld een communiejurkje uit de dertiger jaren, compleet met handschoentjes en bij ons achtergelaten door de kleindochter van het communicantje.

Op een ander moment verscheen een werknemer van Icopal, werkzaam in een van de gebouwen van het aloude Van Besouw concern, met in zijn hand een flinke doos met papieren, foto’s en dia’s die nog op het bedrijf gevonden waren. Hierin o.m. een “Werkliedenregister” uit het begin van de 20e eeuw, dia’s van producten van het bedrijf en een ordner met papieren die nog aan Jan Mes sr. toebehoord hebben toen hij in de dertiger en veertiger jaren het bedrijf leidde. Over dit werkliedenregister zal in een van de volgende afleveringen van ons tijdschrift “Rondom de Schutsboom” een klein artikel verschijnen, dus als U dit wilt lezen: Schroom niet en wordt gewoon lid van de Heemkundekring. U krijgt 3 maal per jaar een leuk tijdschrift in de brievenbus, U wordt uitgenodigd voor lezingen en excursies en U mag een keer per jaar mee op onze heemreis. Weinig verplichtingen tegenover meerdere lusten. Wilt U ook actief meewerken, kom dan eens kijken of er werk van Uw gading te vinden is.

knipding

paardenbit

grijpertje

 

Een derde voorbeeld van giften was een doos vol met oude paardenbitten, afkomstig van het kasteeltje op Gorp, gevonden bij het opruimen aldaar. Dit gaf weer ‘problemen’ omdat we niet wisten en weten wat sommige voorwerpen ooit betekend hebben. Ze worden hierbij afgebeeld zodat we weer op Uw opmerkzaamheid rekenen: Wie herkent een van de afgebeelde voorwerpen en weet er iets meer over te vertellen. Volgens een bron in Hilvarenbeek moeten ze er al vanaf de vijftiger jaren gelegen hebben.

Bent U niet zeker van Uw zaak, kom dan gewoon even kijken op een donderdag of zaterdagochtend tussen 9.30 en 11.30 uur om te zien of het inderdaad dat is wat U verwachtte. Om 10.30 staat ook nog de koffie klaar. Bedankt voor het meedenken namens de heemkundekring: Gerrit van Heeswijk. Contact via [email protected].

Schatten uit ons museum 53 – Het wasbord (of roefel)

Kent U het nog, het wasbord? Misschien kent U het als de roefel, maar wellicht hebben velen van U er misschien nog mee gewerkt, of moet ik schrijven er óp gewerkt? In elk geval is het een voorwerp waar misschien nostalgische ideeën over leven en waar met een glimlach over terug gedacht wordt. In elk geval betekende het hard werken.

Wasbord (roefel)

Voor de jongere lezers onder ons: de was moest eerst gekookt worden (doet de wasmachine nu voor ons). Als dat klaar was moest elke voorwerp met de hand over dit bord gerost (hard gewreven) worden totdat de vlekken er uit waren (doet de wasmachine nu voor ons). Misschien is het ook wel zo dat de wasmiddelen beter zijn geworden of dat de moderne textielsoorten beter vlekken loslaten maar het was hard werken. Gebogen stonden de moeders (want die deden het altijd) met elk stuk textiel (dat goed warm was) over dit bord te wrijven totdat de vlek weg was. Was het wasgoed alleen maar vies van de geur dan hoefde dit niet per se maar de gehele maandag (=wasdag) was er mee gevuld.

Ach oma’s (of grootouders), vertel Uw kleinkinderen nog eens hoe dat er aan toe ging of kom met Uw kleinkinderen op de eerste of derde zondagmiddag van de maand vanaf april eens naar ons museum en vertel aan Uw kleinkinderen wat U zich nog weet te herinneren van die tijd. Eerlijk waar: ze smullen ervan als U de voorwerpen bij de hand hebt! (Ervaringen bij rondleidingen van schoolklassen!).

Vele wasborden kregen in de zestiger en zeventiger jaren opeens een andere bestemming: ze werden bevorderd tot ritme-instrument in verschillende muziekgroepjes, vooral die groepjes die volksmuziek ten gehore brachten.

Later kwamen we ze zelfs tegen als decoratie aan de wand.

Tijdens het opruimen van de zolder van het pleejhuis zijn we diverse wasborden tegen gekomen en hebben we besloten om de eerste 4 mensen die op dit stukje reageren te belonen met een wasbord als ze daar prijs op stellen. (Bij gelijke binnenkomst van de reacties op de computer beslist de tijd of volgorde op onze computer).

U kunt Uw reactie kwijt op [email protected]

Met dank voor het lezen, denken en reageren namens de heemkundekring: Gerrit van Heeswijk.

Schatten uit ons museum – 52 – Luc van Hoek

Op 29 januari 1991 overleed in Goirle de grootste, zo niet dan toch één van de grootste, kunstenaars die Goirle ooit gekend heeft. Geboren in Tilburg in 1910 vestigde hij zich na zijn huwelijk met zijn Lena in Goirle en vanaf ca 1958 woonde hij aan de Dr. Keizerlaan waar hij zijn atelier had.

52_fotolvanhoektekening_a

Foto van tekening Luc van Hoek

In ons museum hebben we een mooie prent van hem die U bij dit stukje afgebeeld ziet en waar hij zelf, mogelijk om het te verbeteren, nog correcties op heeft aangebracht. Maar hij heeft meer gepresteerd en mogelijk achtergelaten in ons dorp.

Het is onze bedoeling om in het begin van de herfst van 2017 een tentoonstelling over hem te organiseren maar daarvoor hebben we graag de beschikking over voorwerpen die hij gemaakt heeft en die mogelijk in privé bezit zijn.

Luc was tussen de jaren 40 en 68 bekend van profane kunst, kunst in kerken en gebouwen die een religieuze tint hebben en hadden. Vele glas-in-lood ramen zijn van hem bekend maar kunnen nooit op een tentoonstelling te zien zijn. Zo ook met de vele baksteenreliëfs die bijvoorbeeld aan het kantongerecht te Tilburg te zien zijn.

Nog in de herinnering van de oudere Goirlenaar zijn de St. Jansstoeten uit de jaren 50 en 60 en de H. Hartstoeten uit Tilburg in diezelfde jaren.

Bekijkt men een boek over zijn werken dan is de verwondering over hetgeen hij gemaakt heeft erg groot, reden te meer om deze tentoonstelling te willen organiseren. Maar zoals gezegd en geschreven zijn er mogelijk mensen die een werk van hem in huis hebben, zijn er mensen die foto’s hebben van een werk of zijn er mensen die filmpjes hebben van die reeds genoemde St. Jansstoet. Graag zouden we weten of dit zo is en of zoiets gebruikt zou mogen worden voor deze tentoonstelling. Neem hiervoor aub. contact op met ons via emailadres [email protected].
Dank voor het meedenken in deze namens de heemkundekring:
Gerrit van Heeswijk.

Schatten uit ons museum – 51- Paschalius’ Aquarellen

In de zestiger en zeventiger jaren werkte op de Albertus Magnusschool (later Langenboomschool) de onvolprezen frater Paschalius Vervest. Onvolprezen op het gebied van tekenen en aquarelleren en mozaïeken maken. In ons bezit bevindt zich een aquarel van het gebouw van de Agnesschool, de vroegere Tarcisiusschool aan het Oranjeplein. Toen deze Agnesschool na 22 jaar ging sluiten kreeg de toenmalige directeur deze aquarel, de leerkrachten kregen een getekende versie en de leerlingen een kopie van deze pentekening.

51_fotoaquarelfrpaschalius_a

Frater Paschalius werd geboren op 5 mei 1923 in Eersel als zoon van Willem Vervest en Margaretha Waalen. Hij vertrok in 1934 naar het klooster in Reusel en kwam in 1935 naar Goirle voor zijn opleiding. Na het voltooien hiervan kwam hij in het onderwijs terecht en we kennen hem dus als onderwijzer van de Albertus Magnusschool waar hij altijd op de fiets arriveerde. Sommige oud-leerlingen herinneren zich nog het klusje van het poetsen van de fiets van Paschalius waarvoor je de klas uit mocht. Vaak deden ze dat nog graag ook!

Veel heeft hij echter betekend voor het tekenonderwijs van zijn leerlingen waarvan nog diverse voorbeelden in onze collectie bewaard worden. Vooral bekend werd hij van de diverse dorpsgezichten die hij maakte en die misschien in particuliere bezittingen zijn terechtgekomen.

Ook maakte hij vele mozaïeken waarvan 49 exemplaren te vinden zijn in de gebouwen van St. Jozefszorg in Tilburg waarover in januari 2015 een boekje verscheen van de hand van Geert Eijsbouts.

Al met al een kunstenaar die nooit op de voorgrond stond en dagelijks heen en weer peddelde tussen zijn woonadres en zijn werkplaats.

Als er Goirlenaren zijn die werk van hem in bezit hebben zouden we dat graag willen weten, meldt U dat a.u.b. op [email protected]. Niet dat wij het werk willen hebben maar in geval van een evt. toekomstige tentoonstelling zou dat wel makkelijk zijn. Met dank voor het lezen en meedenken, namens de heemkundekring, Gerrit van Heeswijk.

Schatten uit ons museum – 50: Met de muziek mee

Het rondtrekken van de harmonie is bijna uit elke gemeente verdwenen, het lijkt een traditie uit de 20e eeuw te zijn. Marcheerde de plaatselijke harmonie vroeger -in onze herinnering-  zowat elke week door het dorp (met flink wat jeugd er achteraan), nu zien we dat nog zeer sporadisch. Vroeg opstaan bij het dauwtrappen is een van de gelegenheden om dit mee te maken. Bij feestelijke gebeurtenissen trekt de harmonie er nog op uit maar zelfs bij de carnavalsoptocht wordt het steeds moeilijker om een compleet gezelschap te formeren. Daar zullen goede redenen voor zijn en een van die redenen is misschien het hoge niveau dat onze harmonie bereikt heeft en meer een harmonisch orkest is geworden dan een rondtrekkende drumband met wat koperblazers er achter. Dus niets ten nadele voor onze harmonie, maar ja, die herinneringen……

Uit de bezittingen van de harmonie bewaren we twee schellenbomen die vroeger bij de uitruk gedragen werden door even zovele mannen die echter geen noot hoefden te kunnen spelen en zelfs niet muzikaal hoefden te zijn, als ze maar meeliepen. Omdat hun bijdrage tijdens de repetities hoogstwaarschijnlijk nihil was zijn ze verdwenen. Wat echter ook bij ons bewaard wordt zijn enkele koppen van vaandels die bij muziekgezelschappen boven de vaandels te zien waren en waarvan we echt niet weten welke verenigingen dat waren. Twee van deze vaandelknoppen ziet U op de foto waarvan er bij één enkele medailles hangen. De teksten op deze medailles luiden vaak “Voor zangkunst” en zijn uit de jaren 1927, o.a. uit Waalwijk en bij de “Echo der Duinen” in Loon op Zand in 1947. Ook nog een extra ‘eereprijs’ uit 1939 in Huissen gehaald en van het Politiefestival Tilburg in 1952. Tenslotte nog een medaille die in ons eigen Goirle werd veroverd op een concours in 1926.

50-foto-vaandelknop

Bij de rechtse vaandelkop is geen enkel merkteken zichtbaar dat ons kan leiden naar de oorspronkelijke bezitter hiervan. Toch zouden we dat graag weten.

Deze voorwerpen kunnen o.i. niet van het Gemengd Koor “Zang na arbeid” zijn geweest omdat dit in 1945 opgericht is. Volgens Janson (Bijdrage tot de geschiedenis van Goirle, 1953) was er tevoren een vereniging “Zang en Vriendschap” doch deze vereniging was volgens hem al jaren op non-actief.

Wie o wie helpt ons bij deze zoektocht naar verenigingen uit ons verleden. Wie het weet mag het zeggen en kan dit doen via email naar [email protected] .

Ook langskomen op zaterdagochtend tussen 9 en 12 is mogelijk want dan zijn we er ook.

Tot ziens namens de heemkundekring: Gerrit van Heeswijk.